Over Psyche en Fidessa

Over Psyche (1898)

“Zal ik nog veel over de artistieke verdiensten van dit werk zeggen? Er is alom éen bewonderings-kreet opgegaan: prachtig! Ik stem daar gaarne mee in. Couperus heeft zijn – ik zou haast zeggen wat Emeralda-achtige – liefde voor juweelen-flonkering nog eens ten volle gevierd. In Psyche vinden we den dichter van Orchideeën terug, wijzer, rijper, meer kunstenaar, maar in dat éene opzicht dezelfde. Niet aan de realiteit gehouden, laat hij zijn fantazie zwelgen in schitter-vizioenen. Had zijn artistiek kunnen hem niet doen zorgen voor een stevige structuur, het geheel zou gebogen hebben onder den overvloed van weelderig ornamentwerk. Maar zooals het nu is, staat het voor ons als een oogenlust, als een uit heerlijkheid van mooie taal gebeeld monument, waarvan ieder getuigen moet: zóo kan Couperus het alleen.”
(Uit: W.G. van Nouhuys. Uren met schrijvers. Studiën en critieken. Van Holkema & Warendorf. Amsterdam 1902, p.67-75. Oorspronkelijk gepubliceerd in: De Amsterdammer nr.1128 (1899, 5 februari), p.6-7)

Psyche is een poëtische vertelling, symboliseerend een opvatting van Mensch en Wereld. Drie factoren beheerschen het menschenbestaan, drie de wereldhistorie. Men kan ze noemen Stof, Geest en Ziel. Men kan ze noemen Empirie, Philosophie en Poëzie. Men kan ze noemen Waan, Critiek en Geloof. Men kan ze noemen Lijf, Hoofd en Hart. Men kan ze noemen Zinnen, Gedachte en Droom. Men kan ze noemen Bezitten, Werken en Hopen. Couperus noemt ze Emeralda, Astra en Psyche.
Drie vrouwen zijn het, dochters des konings van het Verleden. Wijs is deze vorst en vroom, maar hij kan niet beletten dat zijn dochters dwalen. Want het leven begint iederen dag opnieuw, en een ieder moet in eigen Lot ervaren wat ’s Levens wijsheid is.”
(Recensie Psyche door Ch. M. van Deventer, uit: Hollandsche Belletrie van den Dag 1901, p.43-51.)

Over Fidessa (1899)

“(…) dat Couperus zich in dit boek weer doet kennen als de dichter met den schitterenden, sierlijken, zich gedwee onder zijn kunstvermogen tot elke uiting voegenden stijl, – men leze tegenover elkaar de schildering der maanlicht-weide, en van de cyclopen-smidse om zich te overtuigen. Er is weer een schat van fijn doorvoelde taal in dit boekje. Telkens opnieuw wekt de schrijver onze verbazing en bewondering. Nog een enkele aanhaling. Fidessa is weggegaan van den cycloop: ‘Hij vloekte. Het donderde. Hij wendde zich af, wierp zich neêr op den grond, die aardbeefde, hij balde zijn vuisten en weende. Toen nam hij de kroon en slingerde ze weg in den afgrond. Toen nam hij een bliksem, deed opschitteren het feeënpaleis in de lucht en trof het, tot het neêrviel in gruis.
De laatste zin is een heerlijkheid.”
(Uit: W.G. van Nouhuys. Uren met schrijvers. Studiën en critieken. Van Holkema & Warendorf. Amsterdam 1902, p.67-75. Oorspronkelijk gepubliceerd onder de titel ‘Symboliek’ in: De Amsterdammer nr.1175 (1899, 31 december), p.76-84.)

“Als bijtitel had er gevoegelijk kunnen staan: ‘Lofzang op trouwe liefde’, want, ofschoon in proza geschreven, is het boek een zang van louter woord-muziek. (…) Een loflied op trouwe vrouwenliefde, maar ook een aanklacht, een bittere, smartelijke klacht, over al het conventioneele, waaronder onze arme wereld zucht.”
(Recensie AMAS., uit: Echo 1 (1900, 25 maart), nr.26, p.307-309.)